Pandora’s box

My mother has been mentioning it for months or even longer. How she has gathered all my old stuff and put it together in one small suitcase, too heavy for her to carry. I didn’t know if she wanted me to pick it up and since I wasn’t the least bit curious to know its contents, I let time pass.

Everything I have left from my dad, I keep in his office briefcase. It is made of light brown suede, with two metal clasps. The clasps have worn off over time and don’t close properly anymore, yet the soft click is still there when you move them. I remember the click, or want to believe that I remember the clicking sound, from when my dad opened his briefcase after he had returned home from work.

For years I cried when I opened his briefcase. Not only are there some personal objects in there, some of them still smell like him. Tobacco. Leather. The metallic odour of old coins. Just fidgeting through the contents of the briefcase, while inhaling that unique mixture of scents, brought him close. And the minute he was with me, the pain of his absence was unbearable.

Then there were years when I didn’t dare to open it. It was a Pavlovian reaction: after the click came the tears. The easiest way to avoid the grief was to run away from the confrontation. Nowadays I treasure the briefcase. Perhaps it has something to with Little Son who has his grandfather’s name as his middle name. The name pops up now and then and with that, so does my dad. Yesterday I drew Little Son a birthday card and initially wanted to write his first name only, when I found my fingers adding his middle one as well. I drew a little star next to it and felt such peace.

My mother announced that she would bring by the suitcase when she was coming over for Little Son. Great timing mom. After her visit, it was left in the hallway and nobody mentioned it. Except the bouncy birthday boy, who couldn’t wait to see what was in it. ‘We are not going to open it’ I told him, in such way that he not even bothered replying with his usual ‘Why?’

I carried the suitcase all the way down to the basement and left it there. Being kind to myself isn’t one of my fortes. However today I took a big leap forward. I know Pandora’s box when I see it. Whatever is in there won’t do me good.

Advertenties

Polopaardje

Uit de koelkast pak ik een restje taart, om het vervolgens staand naar binnen te werken. Het is niet mijn feestje maar moeders willen ook wat. De jongens halen een frisse neus (van niks word je duffer dan een binnen- en opzit verjaardag) en ik denk terug aan negen jaar geleden. Mijn zwager die ons ophaalde uit het ziekenhuis, met een geleende Maxicosi met daarin ons kleine Berenkindje. Hij was de eerste die Kleine Zoon kon bewonderen. Ik hoor hem nog brommen achter het stuur: ‘Ik heb helemaal niks met baby’s hoor.’

Na een wakkere baby werd Kleine Zoon een boef van een peuter en daarna een draak van een kleuter. Met boeven en draken kon mijn zwager als de beste overweg en inmiddels vervult hij zijn rol als suikeroom met verve. Negen jaar na dat ziekenhuisritje heeft hij voor zijn neef een heus overhemd besteld, zijn eerste, als verjaardagscadeau.

Kleine Zoon droomde er al maanden van en overwoog zijn complete spaargeld aan één shirt met het befaamde polopaardje te spenderen. Vraag toch aan je oom en tante, zei ik hem. Oom stemde meteen in met het plan en de voorpret was al een cadeau op zich. De vingers van Kleine Zoon bewogen tijdens de vakantie maniakaal over mijn telefoonscherm en er werd naar hartelust gescrolled door webshops. Ik moest mijn mening geven over streepjes, ruitjes en nog meer streepjes. Normal fit, slim fit, button down of niet. Het zijn me toch afwegingen. Als je dan eindelijk dat overhemd gaat krijgen, moet het wel meteen de perfecte keuze zijn.

Vanochtend hees Kleine Zoon zich in zijn nieuwe shirt. Flink op de groei, maar dankzij Man als stylist zag Kleine Zoon er in mum van tijd uit als een echte held. Opgerolde mouwen, shirt in zijn broek en gáán! Kleine Zoon is plotseling een stralende grote zoon. Wat een cadeau – voor hem en voor ons.

Spoleto date

Waar ik haar dan van kende, vroegen de jongens. En waarom we gingen afspreken, we waren toch op vakantie? Omdat samen eten in Umbrië makkelijker is dan in een dorpje nabij Rome of in het centrum van Amsterdam.

Dat antwoord beviel hen niets. Maar waaróm dan? Omdat ze bijzonder is. Ook daar konden ze niets mee.

Het was een dag zoals zoveel vakantiedagen. Waar je het waarom moet ombuigen in ‘gewoon meekomen en het wordt vanzelf wel leuk’. (En waarbij ik in mijn handjes mag knijpen dat die theorie tot nu toe uitstekend overeind blijft.)

Wist ik wel hoe ze eruit zag? Nou zo’n beetje, van één foto. Ik zag de jongens met hun ogen rollen. Ja mannen, jullie moeder weet nauwelijks hoe ze haar date moet herkennen.

Dus togen we in de trein. En stond er op een plein voor de Duomo in Spoleto mijn date met haar dochtertje. Ik moest de neiging onderdrukken om niet heel filmisch in slow motion het kerkplein over te rennen en haar in mijn armen te nemen. Als je iemand dankzij het wereldwijde web al jaren kent maar nooit hebt ontmoet, zijn die laatste seconden er opeens een paar teveel.

Onze kinderen zorgen voor een uitgebreide fotoreportage van Duomo, kleuren zoet bij de lunch en maken portretfoto’s bij het afscheid. Voor op de keukenkast thuis. Dan is ze minder ver weg.

De laatste minuten houden we elkaar vast. De wereld wacht maar even. Moeders weten wanneer ze het moment moeten benutten: we zeggen elkaar wat ertoe doet.

Of ik niet langer had willen praten, een rondje kerk en pasta is toch bij lange na niet genoeg? Als ik Man en de jongens antwoord geef, weet ik dat mijn ‘bijzonder’ van daarvoor de lading niet dekt.

Omdat het afscheid na een dag of een week praten net zo moeilijk was geweest. Omdat of je nu honderd dingen bespreekt en deelt of drie, het goed is. Omdat je weet van elkaar dat je er bent. Niet letterlijk om de hoek, maar in elkaars hart.

Schoon schip

Deze laatste schoolweek is er een zoals alle andere laatste weken voor de zomer en toch ook weer niet. Grote Zoon ruimt plichtsgetrouw zijn lade op, neemt stapels schriften mee en verhuist een ochtendje naar een ander lokaal om te wennen in groep 8. De verveling, het verplichte film kijken en de dagen uitzitten, werden vandaag enigszins gebroken met een uurtje extra buitenspelen. Wat, naar ik hoorde, ook weer resulteerde in samen boven iemands mobiele telefoon hangen. In de onderbouw wond ik me nog op over deze rommelweek, tegenwoordig neem ik het maar voor lief. Grote Zoon had een oplossing bedacht: nu een week eerder vrij en verlost zijn van dat gehang, en straks vrijwillig een week eerder beginnen. Ik zal hem een motie laten indienen bij de directie.

Kleine Zoon zit ook in deze opruimmolen en is daarbij plots het meest geliefde kind van de klas. Tafels verschuiven betekent dat iedereen naast Kleine Zoon wil zitten. Elke ochtend drommen klasgenoten om hem heen. Kleine Zoon volgt het allemaal niet meer. Het rommelt niet alleen in het lokaal, maar ook in zijn hoofd. Dit was wat hij altijd wilde, maar nooit lukte. Ondertussen slinkt de stapel juffenbedankjes en hebben we al heel wat handjes geschud en afscheid genomen. Zijn huidige juf kan Kleine Zoon niets meer bommen, maar voor de juf die hij de voorgaande jaren had zocht hij een hartvormig cadeautje uit. ‘Ik ga je een dikke knuffel geven hoor,’ zei ze ontroerd.

Op dat moment was Kleine Zoon weer even klein en nestelde zich voor een laatste keer in haar armen. Die lieve juf waarmee hij zijn tumultueuze schoolcarrière begon. Na een tijdje begon ze hem Draakje te noemen en kon ze met hem lezen en schrijven. Zijn fratsen en streken vertelde ze me met een twinkeling in haar ogen, ook al was zij soms de wanhoop nabij. Zolang ze hem maar een stap voor was, kon ze er wel wat mee. ‘Hij heeft de letters van zijn klikklak-boekje door de wc proberen te spoelen’, vertelde ze me eens, waarop ik vroeg hoe ze wist dat Kleine Zoon het was. ‘Omdat hij als enige al dubbele letters in zijn boekje heeft!’

Kleine Draakjes worden groot en terwijl Kleine Zoon daar zo met haar staat te praten, zie ik welke stappen hij heeft gezet. Hoe lang hij is geworden, hoe wijs en rustig hij erbij staat. Net alsof ik naar een gloednieuwe zoon kijk. De stem van de juf brengt me terug naar de werkelijkheid. ‘En jou ook!’ en voor ik het weet, pakt ze me beet voor een knuffel en moet ik een brok wegslikken. We lopen maar gauw het oude lokaal uit, richting de suffe juf. Aftellen en wegwezen!

De schijnzelfstandigheid van veertigplussers

Dit is de ruwe versie van mijn eindessay. Graag eerst dit lezen voor de broodnodige nuancering!

Over de worsteling van een op status beluste generatie.

In mijn studententijd ging ik geregeld bij mijn opa en oma langs. Dergelijke bezoekjes waren niet alleen voor de gezelligheid, maar voor iets urgenters: hun voorraadkast. Zodra je met je voeten tegen de dozen achter de deur had gestoten en links de bakelieten schakelaar had omgedraaid, zag je de volle planken met levensmiddelen. Mijn oma drong er steevast op aan dat ik voor vertrek ‘nog even langs de kast’ ging – iets wat ik allang had ingecalculeerd. ‘Heb je wel genoeg, kind?’ vroeg ze dan als ik enigszins gegenereerd mijn weekendtas weer volgeladen had, om me vervolgens een rolletje Mentos in de hand te drukken, ‘voor onderweg.’

Op mijn achttiende dacht ik dat ik de hele wereld aankon. Ik had stufi, opa’s en oma’s die me van alles toestopten en ik huurde een kamer van twaalf vierkante meter in Amsterdam. De toekomst zag ik vol vertrouwen tegemoet. Nu ik eenenveertig ben vraag ik me sterk af of ik wel op eigen benen kan staan. Ik kom structureel geld tekort. Zelfs de ouderbrief over het schoolkamp gaat gepaard met de maagpijn die tegenwoordig opspeelt bij de aanblik van rekeningen. Opbiechten bij de directie dat de verplichte bijdrage op dit moment te veel is, durf ik niet. Dus schuif ik nacht na nacht in gedachten met potjes: hoe tackelen we de zoveelste onverwachte uitgave.

Gisteren nam mijn moeder een ‘verwentas’ mee, met boodschappen die ik niet kan betalen. Sinds ze zelf oma is, heeft ze het stokje van haar ouders overgenomen. Alleen zitten haar kleinzoons pas op de basisschool en is het haar volwassen dochter die staat te springen om gratis eten. Dat knaagt behoorlijk. Je zou toch zeggen dat ik oud genoeg ben om voor mezelf te zorgen.

Al is het slechts een schrale troost, ik blijk hierin niet de enige te zijn. Om me heen zie ik hoe veertigers ‘zakgeld’ krijgen van hun ouders. Waar ik me ongemakkelijk voel als mijn moeder aanbiedt om kinderkleding te kopen, moet ik daar volgens vriendinnen veel relaxter in zijn. ‘Beschouw het als een voorschot op je erfenis. Je moeder kan tenminste de jongens zien genieten van haar aankopen. Je doet er haar juist een plezier mee.’ Toen ik het ouderlijk huis verliet om te gaan studeren, was dat met de gedachte dat ik daarmee ook mijn afhankelijke rol zou achterlaten. Ik zou met een schone lei beginnen en mijn volwassenheid bewijzen. Krijg ik nu een briefje van vijftig in een envelopje, dan dat voelt allesbehalve als een cadeau. Ik ben een trots individu, laat mij het zelf doen!

Wij veertigers zijn stilzwijgend gewend geraakt aan een dergelijk envelopje van tijd tot tijd. En gaan er daarom vanuit dat we onze ouders wel lief mogen aankijken wanneer het even tegen zit. Waarom ook niet, de babyboomers zitten er meestal warmpjes bij. Maar het gaat verder dan gewenning. We kunnen niet zonder onze ouders, of ze nu incidenteel bijspringen zodra de wasmachine stukgaat, of wekelijks op de kleinkinderen komen passen. Blijkbaar behoor ik tot de 33% van mijn generatie die steun van hun ouders ontvangt, zoals blijkt uit onderzoek van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. Hoewel we netjes gestudeerd hebben en ons eigen geld verdienen, lukt het vaak niet om op eigen kracht voor ons huisje, boompje, beestje te zorgen. Het grotemensenleven waar we naar streefden, een leven zoals onze ouders dat hadden, is een utopie. Hoe volwassen mijn generatie ook is, financieel staan we vaak niet op eigen benen. Moet ik me daar schuldig over voelen?

***
Anders verkoop je toch gewoon de boot?

Volgens de Rijksoverheid is iemand economisch zelfstandig wanneer hij of zij minstens 70% van het nettominimumloon verdient. De definitieve belastingaanslag is net op de mat geploft, waardoor ik objectief mijn financiële situatie kan beoordelen. Mijn inkomsten uit het afgelopen jaar waarin ik fulltime als zzp’er in de cultuursector werkte, blijken in dit geval gelijk te staan aan 100% van het nettominimumloon. Oké, ik voldoe dus aan de norm en kan – in ieder geval op papier – prima voor mezelf zorgen. De praktijk had echter al uitgewezen dat het een beroerd jaar was met te weinig opdrachten, daar had ik geen rekenmodel voor nodig. Mijn onderneming bracht niet genoeg op om de huur te betalen, om over de kosten van twee kinderen in de grote stad maar te zwijgen.

Als ik laat vallen dat het financieel niet zo lekker gaat, kan ik op mijn vingers natellen welke reactie dat teweegbrengt. ‘Heb je al eens gekeken of…’ of ‘Zou je niet in aanmerking komen voor…’ gevolgd door een tip die me bakken met geld zou moeten besparen dan wel opleveren. Het is een variant op de reclame van kredietverstrekker NCM uit 1987, waarin iemands liquiditeitsproblemen worden afgedaan met een simpel ‘anders verkoop je toch gewoon de boot.’ Alleen ga je er dan vanuit dat er überhaupt een spreekwoordelijke boot is om als troefkaart in te zetten. De gedachte om iemands kosten voor levensonderhoud te bestempelen als persoonlijke keuzes ligt in dezelfde lijn. Trek je die door, dan is het zonneklaar dat geldzorgen direct verband houden met je bestedingspatroon. Geen geld? Eigen schuld.

Ik zou me makkelijk kunnen verschuilen achter de stelling dat we genuanceerder over geldzorgen en sluipende armoede moeten praten. Door te beweren dat armoede geen individueel maar een maatschappelijk probleem is. Door het begrip armoede ‘relatief’ te noemen. Maar dan denk ik aan mijn opa en oma. Zij maakten met een pasgeboren baby de Hongerwinter door in hartje Utrecht. Een sterker staaltje overlevingskunst ken ik niet. Overigens verklaart dat volgens mij die immer gevulde voorraadkast: nooit zouden ze meer zonder komen te zitten. Mijn opa en oma hadden een bescheiden pensioentje en deelden wat ze hadden. Met hun familie, maar net zo lief met wildvreemden. Als ik me hun situatie inbeeld en hoe ze met een glimlach van niets ‘iets’ wisten te maken – oorlog maakt blijkbaar ongekende vindingrijkheid in een mens los – stijgt het schaamrood me naar de kaken. Anno 2018 klagen over mijn leefomstandigheden? Hoe durf ik.

Tijd om in de spiegel te kijken. Heb ik het aan mezelf te wijten dat mijn inkomsten en uitgaven niet met elkaar in balans zijn? Van al mijn Randstedelijke bestedingen zijn de woonkosten het meest exorbitant. Huren in de vrije sector is een financiële aderlating, gevolgd door de schoolkosten van de kinderen en een heel scala aan buitenschoolse activiteiten. Waarom verhuis ik niet linea recta naar een bescheiden huurhuis buiten de stad? Mijn kinderen kunnen daar zorgeloos (en kosteloos) buitenspelen en ik kan lekker thuis op de bank van een kop koffie genieten, aangezien niet op elke straathoek de coffee to go naar me lonkt. Zeg maar dag tegen dure natuurvoeding, mijn onbespoten oogst komt voortaan uit eigen tuin. Door vol overtuiging te consuminderen in de provincie zal ik mezelf voor een faillissement behoeden.

Laat ik die optie nu in alle ernst overwogen hebben. Ik denk dat mijn vriendinnen best hadden willen omrijden voor een zelfgemaakte cappuccino en dat mijn zoons het vooruitzicht van klimbosjes en trapveldjes heel aanlokkelijk hadden gevonden. Dat moestuinieren moest me ook wel lukken. Maar dan komen de ‘verzachtende omstandigheden’ om de hoek kijken. Verhuizen, als cultureel ondernemer met tegenvallende jaarcijfers? Dat kan ik wel op mijn buik schrijven. Iedere woningcorporatie, vastgoedbeheerder of hypotheekverstrekker wil solide loonstrookjes zien, en liefst twee met het oog op risicospreiding. ‘Gewoon’ een vaste baan zoeken is er niet meer bij vandaag de dag en bovendien hangt de kunst- en cultuursector van werkervaringsplekken aan elkaar. Achter de kassa bij de supermarkt dan maar? Dat is net zo rendabel als mijn huidige activiteiten. En dus hoesten we maandelijks die huur maar weer op.

Ik heb totaal niet de illusie dat we in aanmerking komen voor een sociale huurwoning of enige vorm van financiële overheidssteun, maar tegen beter weten in pluis ik eens in de zoveel tijd alle regelingen uit. Hoopgevende zinnen als ‘er bestaan allerlei tegemoetkomingen’ resulteren binnen een paar muisklikken in ‘uit de gegevens die u heeft ingevoerd, blijkt dat u niet in aanmerking komt’. Dat ‘niet’ is voor de zekerheid altijd vetgedrukt, in het kader van transparante overheidscommunicatie. Mij was het al volkomen duidelijk dat ik in een klassieke catch 22 verzeild ben geraakt. Drastisch besparen zie ik niet snel gebeuren, net zomin als meer geld binnen harken.

Die catch 22 kan ik inmiddels ook bij anderen van gezichten aflezen: overal zie ik mijn eigen gejaagde blik en geforceerde glimlachjes weerspiegeld. Want natuurlijk zitten er meer veertigers in dit schuitje. Zo ken ik ondernemers met mensen in dienst die ze elke maand netjes uitbetalen, om er vervolgens achter te komen dat er van de winst, na aftrek van loonkosten, geen inkomen meer voor zichzelf overblijft. Ze nemen noodgedwongen meer opdrachten aan dan ze kunnen behappen en ironisch genoegd denkt de buitenwereld dat het bedrijf loopt als een trein. Moeders komen op school aanrijden in een glimmende Tesla, maar biechten me in een onbewaakt moment op dat ze piekeren over hun vaste lasten. Dat ze niet van baan kunnen veranderen, laat staan minder gaan werken. De hypotheek hangt als een molensteen om hun nek.

Opvallend genoeg hoor ik voornamelijk van andere vrouwen dat ze wakker liggen over geld. Dat zal toch niet betekenen dat je geldzorgen kunt wegzetten als een ‘vrouwendingetje’? Mannen zijn geneigd de mindere kanten van hun financiële situatie voor zichzelf te houden – mijn man hoor ik zelden of nooit over geld. Sterker nog, hij vindt dat ík me er niet zo mee bezig moet houden en dat stressen over geld zinloos is. ‘Het gaat je geen geld opleveren.’ Nog afgezien van het verschil tussen Mars en Venus laten ook de cijfers een kloof tussen mannen en vrouwen zien.

Recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat werkende vrouwen een forse inkomensachterstand hebben op mannen. Al vanaf het begin van hun carrière hebben ze vaker een deeltijdbaan, ook wanneer er nog geen kinderen in het spel zijn. Daarbij komt dat vrouwen voor hetzelfde werk gemiddeld minder verdienen dan mannen. Nog steeds. Komen er vervolgens kinderen, dan gaat de partner die sowieso al het minst verdiende (lees: de vrouw) minder werken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek onthult dat slechts 67% van de vrouwen tussen de 25 en de 45 economisch zelfstandig is, ten opzichte van 84% van de mannen uit dezelfde leeftijdsgroep. Ben je vrouw, dan val je dus sneller buiten de geldboot. En moet je in mijn geval nota bene bij je moeder bedelen.

Wat leert de blik in de spiegel me? Arm ben ik niet, het is eerder mijn rijkdom die ‘relatief’ is. Net zoals iedereen ben ook ik een product van mijn tijd. Ik kick op status, of ben me er in ieder geval terdege van bewust. Mijn tekortkomingen – de financiële én de persoonlijke – liggen in het feit dat ik een leven leid zoals dat van mijn generatiegenoten. Ik loop klakkeloos met de kudde mee, al beweer ik het tegendeel. Accepteren dat je zo ongeveer op de helft van je leven bent is een doodzonde.

En dus puberen wij veertigers lekker door ter bezwering van de midlifecrisis. We roemen onze eigen originele en inventieve blik en wentelen ons in nostalgie. Dankzij die magische jaren ’80 weten wij namelijk waar je de mosterd haalt. Vaders die zich uitleven op hun retro Nintendo, maar deze verstoppen voor hun achtjarige zoons omdat gamen geen onderdeel mag uitmaken van de opvoeding, zijn geen uitzondering.

In de jaren ‘90 kwam de massamedia tot bloei en waren wij, eerst als pubers en later als student, de ideale generatie om te beïnvloeden. Met behulp van gigantische advertentiebudgetten en topmodellen ontstond een cultuur van merken en must haves. ‘Voor altijd jong’ werd de norm – en is dat voor ons altijd gebleven. Voor de buitenwereld doen we ons weliswaar voor als volwassenen, maar diep vanbinnen willen we dat helemaal niet zijn. De echte grote mensen? Dat zijn onze ouders. Zodoende is het best gerechtvaardigd dat we daar regelmatig op terugvallen.

Het clubje van veertigers wil niet veel, dat wil álles. Hard knallen op je werk, om daarna net zo hard te relaxen. Je eigen tijd indelen, en je eigen zin doordrijven. Met een vleugje ironie maken we onszelf wijs dat dit drammerige semi-volwassen gedrag volledig terecht is. We zijn immers zelf de gevestigde orde geworden, waarin eigenbelang en economisch denken voorop staan. De identiteit die we onszelf hebben aangemeten, brengt alleen een groot probleem met zich mee. Wij hebben de lat veel te hoog gelegd. Want niet alleen willen we alles, het moet ook nog eens allemaal picture perfect zijn.

***
Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid.

‘Vanaf 1990 moet je als meisje op eigen benen kunnen staan.’ De boodschap van de Postbus 51-campagne galmt nog in mijn oren na. In mijn herinnering had het iets met de keuze voor technische vakken te maken, maar bij het terugkijken van de spotjes op YouTube zie ik dat het toch vooral om emancipatie draait. Doorleren moesten we, weg van dat aanrecht. In die tijd zat ik op de middelbare school en koos ik een allesbehalve technisch vakkenpakket. Omdat ik uitblonk in talen lag het voor de hand dat ik daarin eindexamen zou doen. Ik dacht nog helemaal niet na over een beroep, sterker nog, bij het invullen van de verplichte beroepskeuzetest in 5VWO brak het zweet me uit. Er kwam iets uit in de trant van archeoloog, niet echt iets waarmee een slimme meid zich kon afficheren.

Toen ik opgroeide had mijn vader een keurige baan bij een bank en zat mijn moeder iedere dag na school klaar met thee en koekjes. De term ‘sleutelkind’ was op mij niet van toepassing. Volgens mijn moeder werkten andere moeders niet uit noodzaak maar uit hobbyisme, om een leegte op te vullen. Zij voelde die behoefte niet en excelleerde dan ook als huisvrouw, de voorloper van de hedendaagse thuisblijfmoeder. Tegen de tijd dat mijn universitaire carrière in zicht kwam, was mijn moeder niet dwingend in de keuze voor een studie. Zolang ik maar goede cijfers haalde, was alles best. Mijn moeder was inmiddels alleenstaande ouder en hamerde op mijn levensgeluk. Dus volgde ik mijn hart en negeerde de economische tendensen en de toekomstige arbeidsmarkt. Studeren, dat deed je voor jezelf.

Op de vraag of het mijn eigen schuld is dat ik niet op eigen benen kan staan, moet ik wat mijn studiekeuze betreft toch echt bevestigend antwoorden. Ik ben weliswaar academisch onderlegd, maar als kunsthistoricus heb geen deugdelijk vak geleerd. Die Postbus 51-spotjes zijn bij mij dus hun doel compleet voorbijgeschoten, misschien ook omdat mijn moeder een andere boodschap had.

Toch heeft juist haar generatie enorm gepleit voor emancipatie. Met als gevolg dat vrouwen massaal fulltime zijn gaan werken en tegenwoordig met hun eigen ouderschap worstelen. Wie gedeeltelijk of helemaal thuis wil blijven om voor de kinderen te zorgen, heeft een partner nodig die een buitengewoon riant salaris binnenbrengt. Zoek je naar een andere manier om de zorg voor je kroost niet aan vreemden over te hoeven laten, dan kom je – wederom – bij je ouders uit.

Babyboomers staan midden in het leven en omdat zij zich zo goed voelen, kunnen wij onbeschaamd onze kinderen bij ze achterlaten. Uit onderzoek blijkt dat grootouders steeds vaker bijspringen bij de verzorging van hun kleinkinderen. In meer dan de helft van de jonge gezinnen zijn ze gemiddeld zes à zeven uur per week actief als oppas. We beweren glashard dat het een win-win voor alle betrokkenen is: welke oma wil er nu niet een middagje haar kleinzoons verwennen? Het liefst vragen we ze ook nog om een wasje te draaien of boodschappen te doen. En als we aan het eind van de dag de kinderen gedoucht en in pyjama kunnen ophalen, zou dat helemaal mooi zijn.
Wij zijn immers moe, te moe voor wat dan ook. Vanwege die hoge werkdruk en alle eisen die we aan onszelf stellen. Niet alleen moeten we die vaste lasten ophoesten, we moeten elke dag een schijf-van-vijf-maaltijd op tafel toveren, er strak uitzien – bij voorkeur trainen voor de marathon – en tig keer per week onze kinderen van hot naar her karren. We zorgen dat we op maandagochtend kunnen vertellen naar welk foodfestival we zijn geweest of hoe chill we hebben staan dansen met vriendinnen. Tentoonstellingen aflopen, bestsellers lezen, documentaires kijken en zo nu en dan een weekendje weg: de agenda is nooit leeg.

Om alle ballen in de lucht te houden, zijn we volledig afhankelijk geworden van hoe goed onze ouders het hebben. Zij kunnen de vruchten plukken van het naoorlogse systeem van vaste banen, waar wij met de huidige onzekere arbeidsmarkt en teruglopende overheidsvoorzieningen naar zekerheid kunnen fluiten. Hun vermogen is de sleutel tot onze hypotheek: op dit moment is een derde van de koophuizen van starters medegefinancierd door hun ouders. We houden onszelf voor dat bijdragen aan de hypotheek voor hen belastingtechnisch gunstig is. Beter bij leven schenken dan straks successiebelasting betalen. En krijgen we het allemaal niet meer rondgebreid, dan trekken we als ‘boemerangkinderen’ weer bij ze in.

Die ouders van ons kunnen toch gewoon nee zeggen? In de praktijk blijken ze dat niet te doen. Onze generatie is opgevoed met de gedachte dat we het middelpunt van de wereld zijn en onze ouders kunnen die houding maar moeilijk laten varen. Ze hebben het er zelf naar gemaakt, denken wij dan. En vragen staat vrij, nietwaar? Zeker als je al weet dat ze toch wel instemmen. We zijn opgegroeid zonder ‘eerbied en ontzag’ voor de oudere generatie, zoals onze ouders dat zelf nog wel hadden. We mochten ze juist met de voornaam aanspreken: we waren allemaal gelijk. Kijk ons daar nu eens handig gebruik van maken.

Kinderen zijn niet gek. Die voelen haarfijn aan dat ouders van nature alles doen om te voorkomen dat hun kroost het slechter krijgt. De laatste decennia blijven kinderen steeds vaker steken op een lager opleidings- en beroepsniveau dan dat van hun ouders, terwijl die juist willen dat de volgende generatie het verder schopt. Je kunt hun hulp zien als een manier om de evolutie een handje te helpen: ze vergroten de overlevingskansen van hun nakomelingen. Maar spelen wij niet genadeloos in op dat evolutionaire verantwoordelijkheidsgevoel, ondanks die ‘objectieve onzekerheden’ omtrent baankansen, vermogensopbouw en de woningmarkt? Moeten we niet bij onszelf te rade gaan?

***

Vraag een willekeurige veertiger of hij of zij vrijwillig in de ratrace is gestapt en het antwoord zal nee zijn. Iedereen doet een moord voor een doordeweekse dag vrij, een weekend zonder werkmails en een vakantiebestemming waar je baas je niet kan bereiken. Maar inmiddels lijkt ook ons privéleven declarabel te moeten zijn. We zijn onafgebroken bezig om het perfecte plaatje te creëren en hebben daarmee de ratrace onze woonkamers ingesleurd. Succes is niet meer voorbehouden als de maatstaf voor ons werk, we liken ook alle aspecten van ons sociale leven. Om dat spelletje mee te blijven spelen, kost niet alleen klauwen met geld, maar ook gigantisch veel energie.

De enige manier om deze vicieuze cirkel te doorbreken is stoppen met op alles een label met ‘winst’ te plakken. Economische winst, sociale winst, maatschappelijke winst. Hoe harder we focussen op succes, hoe minder ruimte er is om het even niet zeker te weten, een offday te hebben, om tegenwicht te bieden aan de wereld van de schone schijn. Is het zo moeilijk om open te staan voor het idee dat er meer is dan geld verdienen en te laten zien hoeveel geld je wel niet hebt om uit te geven? Show me the money! Nee, dank je. Want met al die aandacht voor status lopen we onszelf keihard voorbij. Net zolang tot we omvallen en weer bij papa en mama aankloppen.

Zou het niet fijn zijn als we écht op eigen benen kunnen staan? We zijn er immers oud genoeg voor. Dat eeuwig en altijd terugvallen op onze ouders kunnen we toch niet werkelijk als solide oplossing zien. Het is niet alleen een kwestie van tijd voordat zij afhankelijk gaan worden van ónze zorg, maar hoe halen we het in ons hoofd dat we hen verantwoordelijk mogen houden voor onze manier van leven? Als we dan zo graag een schuldige voor onze geldproblemen aan willen wijzen, moeten we kritisch kijken naar onze eigen grotemensenwereld.

De maatschappij, dat ben jij: willen we het tij keren, dan zijn we zelf aan zet. Juist omdat onze generatie de gevestigde orde vormt, kunnen wij ervoor kiezen om uit de ratrace te stappen. De huur of hypotheek moet betaald, want die huizenmarkt gaat zo snel niet veranderen, maar al dat uiterlijk vertoon? Het maar blijven meedoen om niet op het schoolplein met je bek vol tanden te staan? Of om bij het koffieapparaat met een gaaf verhaal te komen? Kom toch op zeg. Hoe likeable wil je zijn?

Op mijn achttiende koos ik bewust niet voor rechten, economie of medicijnen, ik koos voor mezelf. Maar ergens tussen die wilde jaren op de universiteit en de komst van mijn eigen kinderen ben ik die zelfstandigheid kwijtgeraakt. Heb ik me samen met een hele club mensen om me heen laten leiden door massa’s ongeschreven regels. Regels die niet de generatie voor ons, noch die na ons heeft bedacht, maar wijzelf. En nu ik daarmee wil breken, durf ik niet. Tenminste, niet alleen. Als we als veertigers nu eens allemaal in de spiegel kijken, dan vinden we misschien een manier om de generatie van de toekomst te bevrijden uit onze ratrace. Met als bonus een ontspannen oude dag, zonder zorg voor de kinderen.