We waren erbij

In de zaal is het aardedonker. Her en der flakkeren de laatste telefoonschermpjes, tot ook die uitgaan. Het publiek wacht in stilte. Dan begint in het donker de muziek te spelen. Ik voel opeens een warm handje in de mijne knijpen. De avond kan nu al niet meer stuk.

Er verschijnt een kring van flauw licht op het podium. Daarin, opgekruld als een balletje, zit Sergei. ‘Is dat ‘m?’ fluistert Kleine Zoon. ‘Ja’, zeg ik. En dan duwt hij zijn lijfje helemaal tegen het mijne aan. We zijn erbij.

Kleine Zoon gaat weleens mee naar het ballet maar in alle eerlijkheid kan het hem niet zo boeien. Teveel toeters en bellen, teveel spitzen. Hier danst Sergei op zachte schoenen die wel sokken lijken. In een broek en een jasje. Dát is Kleine Zoon zijn stijl. Dat er twee ballerina’s in spierwitte tutu om Sergei heen cirkelen, negeren we gemakshalve even.

Hij leunt over de balustrade en kijkt met een verrekijker naar Sergei. Mijn blik gaat over Kleine Zoons haar naar het podium. Alsof ik wil zien wat hij ziet, alsof dat het optreden nog onvergetelijker maakt. Want het is niet Sergei die de meeste indruk op me maakt, maar mijn eigen kleine danser. Zoals hij daar zit, helemaal betoverd.

In het donker kan ik Kleine Zoon niet zien stralen, maar ik voel het des te beter. Ik knipper mijn tranen weg en laat me met Kleine Zoon meevoeren.

Advertenties

Vijfde versnelling

Ik ga als een speer. Doe op een dag zoveel dingen tegelijk dat ik ’s avonds ongeveer niet meer weet waar ik ’s ochtends mee begonnen ben. Mindful? Nee, allesbehalve. Nodig? Jazeker.

De ‘r’ is weer in de maand. En in ons huis betekent dat eerst rustig een klein tandje bij. Man kucht en krabbelt op. Dan nog een tandje. Man kucht en kucht. En nóg een tandje, net zolang tot de hoogste versnelling is bereikt. Waar Man eraf ligt, race ik door. Dat is geen romantische ‘for better or for worse’-deal, het is gewoon zoals het is. En al heel wat jaartjes, dus je hoort me niet klagen. Voor wie denkt hier tussen de regels door een ironische ondertoon te bespeuren: die is er niet. Ik tel mijn – en zijn – zegeningen.

Een half jaar geleden kwam ik via LinkedIN in contact met een vrouw die in een soortgelijke situatie als de mijne zat. Man met stamceltransplantatie. Spannend. Stress. En meer van dat soort algemeenheden. Inmiddels schrijf ik haar elke maandag. Want haar rollercoaster is een hel(se rit). De stamceltransplantatie pakte verkeerd uit en de nachtmerrie waar ik altijd zo bang voor was, is haar leven. Vanochtend hoorde ik dat haar man hersendood is. ‘Hopefully it won’t be much longer.’

Elke dag zeg ik tegen mijn mannen dat het goed komt. Dat ze moeten volhouden. Dat de herfstvakantie in zicht is. Want als zij er vertrouwen in hebben, zin maken ook al is die er niet, dan lukt het mij ook. Ik praat hen erdoorheen en mezelf erbij.

Zo vierden we Kleine Zoons verjaardag. Een ouderwets thuisfeestje met vriendjes en vriendinnetjes van de oude én nieuwe school. Kinders die door hun wimpers gluurden omdat de film zo spannend was. Die wedstrijdjes deden popcorn zonder handen (!) eten. Ik stofzuigde de boel gewoon op en haalde diep adem. Ook weer van het lijstje. Maar ook weer gelukt. Het komt goed. En het is bijna herfstvakantie.

Lucky 13

This week marks our 13th wedding anniversary. Little Son said it was an unlucky number and I laughed. In marriage, there is no such thing as unlucky. When you’ve found Mr. Right, you are counting your blessings on whichever number.

I remember vividly how my future mother in law stood in the hallway of their apartment in Paris and spoke the historic words: ‘Je n’accepte pas le divorce.’ During our visit Man and I had announced our engagement and his mother could’t have made herself clearer. I was either in or out. No mess, no hassle. Think before you act.

The real thinking didn’t occur when I said yes to Man on our wedding day. Or when we were sleep deprived and cranky after the boys were born, or close to a burn-out because of demanding jobs. The time when I had to make the decision to stay or leave, was at the hospital. Would I be able to fully live up to our marital vows? Was I being honest to Man, and to myself, in claiming that I acted out of love? Or did I feel obligated to stick around, caged by those same vows?

The other day I talked to an acquaintance who was having marriage problems. She wondered if a divorce would be the solution. Sure, I told her, the thought of starting over, of putting myself back on the market, had been alluring to me as well. Would Man have anything to offer to me when he was hospitalised for months on end? If you look at marriage as a deal where each party has to deliver an equal share, he was instantly sidelined. However once Man was sentenced to that hospital bed we found a new balance. Or better, I stopped making up the balance.

Besides, the dream guy I was longing for, would have to be Man’s double. That quickly became clear to me when I started to look at other men. Did I do so? You bet ya. Only to come to the conclusion that the stranger who I often couldn’t relate to, was still the one and only Mr. Right, despite of everything that he had lost.

As I come to think of it, we are at a peculiar halfway point in our marriage. The first half, Man was healthy. The second one, he hasn’t stopped fighting. Not for a single day. Up to 2011 I had no real clue whom I was married to. After seven years of being in this battle with Man, I have been getting to know him so intensely that I’m grateful for every day I get to spend by his side.

In sickness and in health. I do.

Ik was erbij

Ik weet nog goed hoe ik als puber werd uitgenodigd voor de afscheidstournee van Alexandra Radius. Onze buurvrouw had kaartjes gekocht voor mijn verjaardag en in plaats van enthousiast te reageren was ik zo van mijn stuk dat ik geen woord kon uitbrengen. Mijn moeder schaamde zich voor mijn ogenschijnlijk ondankbare reactie en tot op de dag van vandaag herinner ik me hoe ik daar als versteend in de woonkamer stond met een knoop in mijn maag. Compleet overweldigd.

De stervende zwaan van Radius zal ik nooit vergeten. Het was het laatste stuk van de voorstelling en de zaal leek collectief haar adem in te houden. Alsof we haar daarmee konden vasthouden. Zo’n uitzonderlijke danseres kon toch niet stoppen.

Tegenwoordig kom ik haar wel eens tegen bij de Bruna om de hoek. Echt waar. Bijna dertig jaar later woon ik op een steenworp afstand. Maar ik zeg nooit iets, ik denk aan die ene voorstelling. Ik was erbij.

De krant tipt dat Sergei Polunin, tegen alle verwachtingen in, opnieuw zal dansen in Nederland. Dat is met recht breaking news. Razendsnel probeer ik op afstand kaarten te kopen en dankzij veel kunst- en vliegwerk van Man lukt dat nog ook. Mijn hart klopt in mijn keel en ik voel me een verliefde puber. Helaas, 28 is out of my league. Man rekent me fijntjes even ‘de helft plus zeven’ voor. Hij heeft niets te vrezen.

Ik tel af tot ik Kleine Zoon kan verrassen. Kleine Zoon die inmiddels het onderwerp van zijn werkstuk heeft bijgesteld van ballet naar Sergei Polunin en dwars door de kamer springt à la Take me to church (waarbij ik ‘Néé!’ gil en hem al tegen de bank zie dubbelklappen – maar zoiets gaat blijkbaar altijd goed). Na zijn balletles vraag ik hem wie hij het allerliefste in het echt zou zien dansen. Zonder aarzelen antwoordt Kleine Zoon ‘Sergei Polunin!’ gevolgd door een timide ‘Maar dat kan toch niet…’ Dan kan ik inkoppen. Wij zijn erbij.

Niet cool

Hand in hand lopen we naar school. Grote Zoon snikt en stapt dapper door. ‘Ze zeggen zo vaak dat ze cool zijn, en cooler dan ik, dat ik het bijna ga geloven.’ Het schooljaar is begonnen en daarmee ook onze peptalks. Grote Zoon begrijpt mechanismes van andere kinderen beter dan die zichzelf lijken te begrijpen. Hij observeert en raakt gefrustreerd. Waarom doen vriendjes in een groepje stoer en een-op-een normaal? Waarom heeft hij nu opeens het label ‘niet cool’? Waarom wuift de juf dit soort dingen weg?

Terwijl we lopen, praat ik hem moed in. Zeg ik dat hij eerder ook wel stoer bij deed bij ‘foute’ jongens, maar die sprong al heeft gemaakt. Ook dat snapt hij. Grote Zoon doorziet alle verbanden, maar heeft verdriet over de opties die hem resten. Niet jezelf kunnen zijn. Je bek opentrekken voor je hachje en weten dat je er dan alsnog niet bij hoort. Volgende week heeft hij een gesprek met zijn juf en meester over passende lesstof. Dit moet ook maar even op de agenda. ‘Ja maar,’ sputtert Grote Zoon, ‘dit is wel veel makkelijker om tegen een mama te zeggen.’

Ik versnel mijn pas en kijk recht vooruit. Grote Zoon hoeft niet te zien hoe zijn anders zijn me raakt.

Op school loop ik automatisch naar de verkeerde kapstok: die van vorig jaar. Grote Zoon schudt zijn hoofd. ‘Ik zit nu hier hoor!’ Hij hangt zijn jas op bij groep 8, helemaal aan het eind van de gang. Ik bedenk me dat ik hem ’s ochtends nog niet heb weggebracht en dus ook zijn nieuwe lokaal niet heb gezien. Uit het zicht van zijn klasgenoten krijgt hij een extra dikke knuffel. En een kus. Nog voordat alle coole jongens arriveren heb ik hem van een beschermlaagje liefde voorzien. Hopelijk helpt dat.